Sociale veiligheid op school, de inspectie inspecteert - Stichting Veilig Onderwijs

Ga naar de inhoud

Sociale veiligheid op school, de inspectie inspecteert

Informatie scholen
 
Uw schoolbeleid
Wilt u ook goed voor de dag komen bij de inspectie van het onderwijs?
Dan bent u bij Stichting Veilig Onderwijs op het juiste adres. Wij kunnen uw beleid (levend) maken, monitoren, evalueren en onderhouden en zelfs in balans houden.
 
Wat veranderd er?
Per 1 augustus 2017 zijn de nieuwe onderzoekkaders van de inspectie van kracht geworden. Daarin wordt beschreven wat de onderwijsinspectie onderzoekt op scholen, hoe zij dat doet en welke oordelen (waarderingen) zij velt. Vijf kwaliteitsgebieden onderscheidt de inspectie.

Kwaliteits oordeel
Natuurlijk, of een school financieel goed beheerd wordt en natuurlijk, of er aan kwaliteitszorg en kwaliteitsborging gedaan wordt, welke ambities de school daarin heeft. Maar de basis, dat wat de leerling dagelijks meemaakt, bevindt zich op het gebied van onderwijsresultaten, onderwijsproces en schoolklimaat. Ofwel, zoals de inspectie dat krachtig samenvat, “Leren ze genoeg, krijgen ze goed les en zijn ze veilig”. Onze interesse gaat uiteraard uit naar dit laatste onderdeel.

Basiskwaliteit
Bij elk van de hierboven genoemde kwaliteitsgebieden onderzoekt de inspectie aspecten die zij rekent onder ‘basiskwaliteit’ of aspecten die gerekend worden tot de ‘eigen ambities en doelen’ van de school. Basiskwaliteit betreft die zaken die een school op orde moet hebben. Datgene wat de inspectie hier toetst heeft dan ook steeds een wettelijke basis in de onderwijswetgeving. Als het om schoolklimaat gaat onderzoekt de inspectie twee onderdelen;

  • Veiligheid;
  • Pedagogisch klimaat.

Wat een school geacht wordt op orde te hebben op het gebied van veiligheid, heeft zijn wettelijke basis (vooral) in de wet van juni 2015 waarin scholen verplicht worden zorg te dragen voor de veiligheid op school. Dat zijn de volgende vijf punten;
De school zorgt voor de (1) sociale veiligheid, (2) fysieke veiligheid en (3) psychische veiligheid van de leerlingen in en om de school, gedurende de schooldag. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van de leerlingen op school. De school monitort dit tenminste jaarlijks. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, treft de school maatregelen om de situatie te verbeteren. De school heeft een veiligheidsbeleid (beschreven in het schoolplan of een ander document) gericht op het voorkómen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten. De school heeft een persoon als aanspreekpunt als het gaat om pesten en voor coördinatie van het beleid tegen pesten. Schoolleiding en leraren voorkomen pesten, agressie en geweld in elke vorm en treden zo nodig snel en adequaat op. De uitingen van leerlingen en personeel zijn in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtstaat.

Zorgplicht schoolbestuur
Wel nieuw is dat het voldoen aan de wettelijke zorgplicht die schoolbesturen hebben, opgenomen is in het reguliere toezicht van de inspectie. Dat gaat langs twee lijnen.
  • Om te beginnen via de jaarlijkse prestatieanalyse. Besturen leveren jaarlijks gegevens met betrekking tot de geleverde onderwijskwaliteit. Schoolplan, schoolgids, financieel jaarverslag, onderwijsresultaten, en dergelijke. Het geformuleerde veiligheidsbeleid maakt hier onderdeel van uit. Vanaf schooljaar 2016/2017 behoren ook de resultaten van de jaarlijkse monitor sociale veiligheid hiertoe. Het geeft de inspectie direct inzicht hoe de school invulling geeft aan het veiligheidsbeleid. Wordt er gemonitord, wat zijn de resultaten, is er aanleiding voor de school om actie te ondernemen en zo ja, hoe gaat men dat doen? Langs deze weg is het mogelijk tijdig risico’s in beeld te krijgen en indien nodig met een bestuur hierover in gesprek te gaan. Wanneer een bestuur naar oordeel van de inspectie de omvang (relatief een wat groter aantal leerlingen dat te kennen geeft zich onveilig te voelen) of aard (hardnekkigheid van pesten) onvoldoende onderkent, kan dat ook reden zijn voor nader onderzoek.
  • Daarnaast is er het vierjaarlijks onderzoek naar de onderwijskwaliteit bij besturen en scholen. Via documentonderzoek en analyse en gesprekken met sleutelfiguren, onderzoekt de inspectie of besturen de kwaliteitszorg op orde hebben. Ook een zogenaamd verificatieonderzoek (uitgevoerd op één of meer scholen onder dit bestuur) maakt daar onderdeel van uit.

Mocht de inspectie op risico’s stuiten, bijvoorbeeld wat betreft sociale veiligheid, dan kan er een kwaliteits onderzoek bij scholen plaatsvinden. Blijken er ernstige tekortkomingen, dan zal een bestuur een hersteltraject moeten inrichten en zal de inspectie de vinger aan de pols blijven houden. Tot slot heeft de inspectie de mogelijkheid altijd een zogenaamd specifiek onderzoek te doen, als daar aanleiding toe is. Bij het vermoeden van grote risico’s, op grond van klachten en/of media-aandacht, kan de inspectie -ook onaangekondigd- een onderzoek instellen. Dus ook als de sociale veiligheid in het geding is.

Meest zwaarwegend
De crux zit hem vooral in de eerste drie van de bovenvermelde punten en het meest in het monitoren van de (4) veiligheidsbeleving en het (5) welbevinden van leerlingen. Goed onderzoek naar de beleving van leerlingen is immers voorwaarde voor het bijstellen of aanscherpen van beleid. Het instrument waarmee dit onderzoek plaatsvindt is daarbij aan eisen onderhevig, die in de toelichting bij de wet beschreven zijn. Het moet valide en betrouwbaar zijn, jaarlijks afgenomen worden onder (ten minste) een representatieve doorsnee van de leerlingenpopulatie en de school moet de getotaliseerde gegevens (uiteraard geanonimiseerd) aan de inspectie beschikbaar stellen. In het PO dient het instrument gebruikt te worden bij leerlingen vanaf groep 6 (of uiterlijk groep 7). Er zijn verschillende instrumenten die aan de wettelijke eisen voldoen. Een school kan hierin een eigen instrument kiezen.

Eigen verantwoordelijkheid
Het tweede punt geeft weer waar het veiligheidsbeleid minimaal aan moet voldoen. Specifieke eisen ten aanzien van te gebruiken antipestprogramma’s, sociale vaardigheidstrainingen etc. zijn er niet (meer). Wel moet het beleid schoolbreed met betrokkenen (leraren, leerlingen, medezeggenschapsraad) vormgegeven worden en verankerd zijn in de dagelijkse praktijk. Dat iedere leerling zich in elke situatie veilig voelt kan onmogelijk van een school geëist worden, maar de school heeft wel een -vergaande- inspanningsverplichting. Dat moet het veiligheidsbeleid wel ademen.

Het derde punt betreft de coördinatie van het veiligheidsbeleid -als het gaat om pesten- bij één functionaris. Behalve coördineren en adviseren dient deze persoon ook aanspreekpunt te zijn voor leerlingen, ouders en leerkrachten. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat de betreffende functionaris ‘uitsluitend’ aanspreekpunt is bij pestsituaties in school. Het kan ingepast worden in een breder takenpakket, maar je moet er wel altijd terecht kunnen. Welk personeelslid deze taak op zich neemt wordt door de school vermeldt in de schoolgids. Deze eerste drie punten zijn de rechtstreekse verplichtingen die aan scholen voor PO, VO en speciaal onderwijs ‘bij wet’ zijn opgelegd en zouden er ook mede toe bij moeten dragen dat de laatste twee punten dan ook in elke school gerealiseerd kunnen worden.

Hoe controleert de inspectie dit alles?
Het spreekt voor zich dat de inspectie in actie komt wanneer zij (ernstige) meldingen binnen krijgt die erop duiden dat een school haar ‘zorgplicht sociale veiligheid’ onvoldoende waarmaakt. Meldingen, die bijvoorbeeld via een vertrouwensinspecteur gedaan zijn. En dat is natuurlijk niet nieuw.

DownloadKnop
Voor meer informatie kunt u het gehele rapport “onderzoekkaders 2017” van de inspectie lezen en dowloaden.
Terug naar de inhoud